Samen met mijn regisseur was ik aan het brainstormen over een testje dat ik tijdens mijn Theatercollege met het publiek zou kunnen doen om te toetsen of men het verschil begrijpt tussen ‘schaamteloos’ en wat ik noem ‘schaamtevrij’. De definitie zou ik dan al gegeven hebben: ‘Schaamteloos’ betekent lomp en bot gedrag waarmee je een ander kwetst. ‘Schaamtevrij’ betekent dat je gedrag afwijkt van een norm, maar zonder dat je een ander kwetst; dat je de schaamte vrij laat, dat die er mag zijn. ‘Schaamtevrij’ staat niet in De Dikke van Dale; ik heb de term zelf zo’n beetje gemunt en er een definitie voor bedacht.

Mijn regisseur en ik hadden al een paar toetsvragen verzonnen, zoals:
1. Op het station je collega koffie aanbieden en daarna een tikkie sturen.
2. Als man naar je werk een rok aandoen.
3. Op een vol naaktstrand als enige je zwemkleding aanhouden.
(Denk zelf alvast na over de juiste antwoorden; je vindt ze onderaan deze pagina*.)

“Je zou eigenlijk ook nog iets fysieks moeten doen, iets wat je op het podium kunt laten zíen”, zei mijn regisseur, in een poging er een speelse, creatieve toets van te maken.

“Jaaaa, goed idee” zei ik, “iets met huppelen of met vliegtuigjes vouwen wat niemand nog kan zodra je volwassen bent, of iets met een raar dansje” brainstormde ik met hem mee.

“Jaaaa, dat rare dansje zie ik helemaal voor me”, was zijn enthousiaste ja-en. Want dat is belangrijk als je creatief wil brainstormen, dat je niet ‘ja-maar’t’ maar ‘ja-en’t’.

Creativiteit ontstaat vaak precies op dat randje:
tussen schaamte, schaamteloos en schaamtevrij.

En toen vertelde ik hem over mijn vroege danscarrière. Ik zal een jaar of veertien, vijftien zijn geweest toen ik elk jaar meedeed aan de amateur-nieuwjaarsrevue Dag Ouwe, Dag Jonge. Drie weken lang stond die revue in Schouwburg De Lawei in Drachten. “En elke avond was uitverkocht”, schepte ik op, “met als grootste succes van onze dansploeg: de cancan”.

“De cancan?”

“Jazeker, de cancan! Met witte veren op ons hoofd, zwarte rijglaarsjes aan onze voeten, een strakgesnoerd zwart-wit corset om ons bovenlijf en daaronder zwierige rode rokken, opgebouwd uit meerdere lagen zwart-witte ruches waardoor ze loodzwaar waren. Die rokken tilden we hoog op, tot aan onze borst, en daar zwaaiden we dan mee van links naar rechts, terwijl we onze benen hoog de lucht insmeten.”

“Zou dat nu nog kunnen? Minderjarige meisjes die voor een algemeen publiek hun benen in de lucht gooien?”

“Tuurlijk. Op het hoogtepunt van de dans keerden we ons om, met de rug naar het publiek, bogen diep voorover en gooiden joelend onze rok over onze heupen, zodat het publiek vol zicht had op onze lange witte kanten onderbroek.”

“Vind je het niet tóch raar van jullie choreograaf’, vroeg mijn regisseur, “om tienermeisjes te laten dansen als een stelletje prostituees? Want dat is de cancan: een erotische dans om mannen te lokken. Dus wat vind jij: schaamteloos of schaamtevrij?”

“Leuke vraag om aan het publiek te stellen”, antwoordde ik.

“Dan wordt dit je fysieke act.”

“Zeker niet! Als bijna-zestig jarige de cancan dansen is niet schaamtevrij en zelfs niet schaamteloos. Het is diep schaamtevol. Cringe. Awkward. Belachelijk.”

“Juist daarom moet je het doen. Want dan wordt het schaamtevrij.”

Creativiteit ontstaat vaak precies op dat randje: tussen schaamte, schaamteloos en schaamtevrij. Niet voor niets zit in schrijfcursussen vaak de opdracht: schrijf over iets waar je je voor schaamt. Schaamte is sociale angst – de angst dat mensen je zullen afwijzen omdat je je vreemd, raar, of anders gedraagt dan de norm. Maar juist daar zit ook creativiteit: in iets doen, zeggen of maken wat nog niet eerder is gedaan. Iets waarvan dus nog niet is getoetst of het eigenlijk wel kan, of het niet net een grens overgaat.

Tegelijk betekent creativiteit dat je iets schept: letterlijk creëert. Niet vernietigt. Creativiteit kan dus nooit schaamteloos zijn; ze is per definitie constructief. Je bouwt aan iets wat er nog niet was, iets dat de wereld verrijkt, er iets aan toevoegt. Creativiteit is dus hartstikke schaamtevrij. Zoals het gedrag van een ongeremd en onschuldig kind, dat nog geen weet heeft van conventies, en zich daardoor op een oorspronkelijke manier gedraagt.

Rest de vraag of ik het ga doen, zo’n kleine 45 jaar na dato. Fysiek lukt het nog nét, dankzij mijn wekelijkse yogalessen. Maar mentaal ben ik minder zeker van mijn zaak. Dus ik twijfel nog even. En nu kan ik me voorstellen dat je (licht) nieuwsgierig bent naar mijn uiteindelijke besluit. Daarom maak ik bij deze ongegeneerd reclame voor de wereldpremière van mijn Theatercolllege op 11 maart 2026 om 20.00 uur in het Fulcotheater te IJsselstein. Wie weet zijn er tegen de tijd dat je deze column leest nog een paar kaartjes, zodat je met eigen ogen kunt zien hoe ik mezelf (niet) te schande maak. Tot dan!

Aukje Nauta is zelfstandig organisatiepsycholoog en bijzonder hoogleraar aan de Universiteit Leiden, een leerstoel mogelijk gemaakt door opleidingsinstituut Sioo.

*Antwoorden: 1. Schaamteloos; 2 Schaamtevrij; 3 Hangt er vanaf. Enne: de (potentiële) cancan-act is zeker-weten schaamtevrij, mits ik die lange kanten onderbroek aanhoud.

Foto: Mirjam van der Linden