Duurzame inzetbaarheid gaat niet alleen over gezond blijven werken tot aan het pensioen. Het gaat erom dat mensen ook op langere termijn in staat zijn om te werken, zich te ontwikkelen en van betekenis te blijven. In haar afscheidsrede, waarvan een verkorte versie is verschenen in Gedrag & Organisatie, vat Tinka van Vuuren dit samen als ‘loyaal zijn aan je latere zelf’. Duurzame inzetbaarheid vraagt volgens haar om aandacht voor drie samenhangende aspecten: vitaliteit, werkvermogen en employability.
Daarbij ligt de verantwoordelijkheid niet uitsluitend bij de werknemer. Van Vuuren benadrukt juist de gezamenlijke verantwoordelijkheid van werknemers en werkgevers. Werknemers kunnen investeren in hun gezondheid, ontwikkeling en loopbaan, maar de werkomgeving moet daar ook ruimte voor bieden. Werkkenmerken, leiderschap, ontwikkelmogelijkheden en een klimaat waarin leren en veranderen worden ondersteund, zijn van belang voor de duurzame inzetbaarheid van medewerkers.
Voor loopbaanprofessionals is vooral de verbinding met employability relevant. Inzetbaarheid is geen vast persoonskenmerk: zij wordt mede bepaald door de mogelijkheden die iemand in het werk krijgt en benut om zich te ontwikkelen. Van Vuuren verwijst daarbij naar onderzoek waaruit blijkt dat leren en ontwikkelen, loopbaandialoog en ondersteuning vanuit de organisatie bijdragen aan de ervaren employability. Ook intrinsiek waardevol werk en een leeftijdsondersteunend werkklimaat spelen een rol.
Van Vuuren bespreekt daarnaast verschillende soorten interventies. Training en opleiding kunnen bijdragen aan duurzame inzetbaarheid, maar hun effect staat niet los van de context waarin mensen werken. Ook interventies gericht op vitaliteit en gezondheid kunnen helpen. Zo blijkt uit onderzoek naar vitaliteitsinterventies dat niet alleen de interventie zelf van belang is, maar ook de mate waarin werknemers zelf regie kunnen nemen en de omstandigheden waarin zij dat doen.
Dat maakt duurzame inzetbaarheid tot meer dan een individueel ontwikkelvraagstuk. Voor loopbaanprofessionals betekent het dat gesprekken over loopbaan en ontwikkeling niet alleen hoeven te gaan over wat iemand zelf kan of wil veranderen. Ook de vraag welke ruimte, ondersteuning en ontwikkelmogelijkheden het werk biedt, hoort daarbij. De blik verschuift daarmee van de huidige inzetbaarheid naar de vraag: wat heeft deze persoon nodig om ook later vitaal, bekwaam en inzetbaar te kunnen blijven?
Referentie
Van Vuuren, T. (2026). Wees loyaal aan je latere zelf: Welke interventies versterken duurzame inzetbaarheid? Gedrag & Organisatie, 39(1), 128–151. https://doi.org/10.5117/GO2026.1.006.VUUR